Zijn uw marktpraktijken altijd eerlijk? Vanaf 1 september kunnen er ook sancties volgen in B2B.

Al sinds 14 juli 1991 wordt de consument in België beschermd tegen wat men noemt oneerlijke handelspraktijken. Misbruiken toonden aan dat er nood was aan zo’n bescherming en aan een goede voorlichting van de consumenten. Een typevoorbeeld bestond uit het volgende: een consument kocht in een meubelzaak een bruine lederen salon, doch de verkoper leverde een felgroene. Op de algemene voorwaarden stond immers dat de verkoper éénzijdig de overeenkomst kon wijzigen.

Deze bescherming werd opgenomen in de Wet Handelspraktijken, later vervangen door de Wet Marktpraktijken en nog later opgenomen in het Wetboek Economisch Recht (WER).

Dit jaar werd echter een belangrijke wijziging doorgevoerd in dit WER, door de wet van 4 april 2019, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 24 mei 2019. In deze wet werden immers een aantal beschermingsmaatregelen die voordien enkel golden tussen ondernemingen en consumenten, ook van kracht tussen ondernemingen onderling.

Concreet werden op drie gebieden regels ingevoerd:

Het eerste gebied  betreft het misbruik van de positie van economische afhankelijkheid. Dit is het geval wanneer een onderneming een aanmerkelijke machtspositie heeft ten aanzien van een kleinere onderneming en van deze machtspositie misbruik maakt. Om te bepalen of een onderneming deze aanmerkelijke machtspositie t.a.v. een kleinere onderneming heeft, moet gekeken worden naar de individuele relatie tussen koper en verkoper. Zo kan onder meer de reputatie van de onderneming, zijn marktaandeel, het belang dat zijn medecontractant vertegenwoordigt in zijn omzet en ten slotte de mogelijkheid voor de niet-dominante onderneming om van handelspartner te veranderen tegen dezelfde voorwaarden, in ogenschouw genomen worden. Indien het onmogelijk is om van handelspartner te veranderen, of de kostprijs om dit te doen is onredelijk hoog, dan is er sprake van economische afhankelijkheid. Deze bepalingen treden in werking op 1 juni 2020.

Het tweede gebied betreft de onrechtmatige bedingen. Deze zijn verboden en nietig, maar tasten het bestaan van de overeenkomst niet aan, voor zover de overeenkomst kan blijven bestaan. In het WER wordt nu een opsomming gegeven van de bedingen die onrechtmatig zijn en van deze die tot bewijs van het tegendeel onrechtmatig geacht worden te zijn. Deze bedingen lopen deels gelijk met die van consumenten, doch niet helemaal. Consumenten blijven een pak beter beschermd, maar u dient voor uw B2B partners ook voorzichtig te zijn wat u in uw voorwaarden opneemt. Deze bepalingen treden in werking op 1 december 2020.

Het derde gebied betreft de oneerlijke marktpraktijken. Ten aanzien van consumenten waren al heel wat marktpraktijken verboden. In het WER werd nu tevens een hoofdstuk opgenomen “oneerlijke marktpraktijken jegens andere personen dan consumenten”. In het algemeen is elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden, oneerlijk. In het bijzonder worden alle misleidende, agressieve en beteugelbare (zoals in het WER opgenomen onder niveau 2) marktpraktijken als oneerlijk beschouwd. Wat juist deze misleidende, agressieve en beteugelbare marktpraktijken zijn, wordt verder uiteengezet in het WER. Deze oneerlijke praktijken zijn dus verboden en kunnen zelfs aanleiding geven tot sancties. Deze bepalingen treden in werking op 1 september 2019. U weze dus gewaarschuwd!

Bent u niet zeker wat u nog mag doen of wat gesanctioneerd kan worden en met welke sanctie? Aarzel niet en neem contact op met Alis Advocaten.

 

Wim SMET

Wim.smet@alisadvocaten.be

GDPR & advocatuur: verantwoordelijke of verwerker ?

De praktijk wijst uit dat advocaten vaak als verwerkers worden beschouwd : uit hoofde van het dienstverlenend karakter van hun activiteit zou men inderdaad kunnen concluderen dat de verwerking van de door de cliënt ter beschikking gestelde persoonsgegevens deze kwalificatie rechtvaardigt.

Echter, enige nuancering is hier op zijn plaats.

De criteria die de GDPR voorlegt om te bepalen of een dienstverlener (advocaat) al dan niet verwerker is, zijn :

  • bepaalt de dienstverlener het doel van de verwerking, is hij/zij bij deze bepaling betrokken?

  • bepaalt de dienstverlener de middelen die ingezet zullen worden om het doel te bereiken, is hij/zij bij deze bepaling betrokken?

Bij een positief antwoord op deze vragen overstijgt het karakter van de dienstverlening (advocaat) dat van een verwerker, en wordt de dienstverlener (advocaat) zelf een verantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens. In deze hoedanigheid gaan de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden in het kader van de GDPR veel verder.

Het Europese overlegorgaan inzake privacy en databescherming, Working Party 29 of kortweg WP29 genoemd, bepaalt dat wanneer een dienstverlener “een traditionele rol en professionele deskundigheid” heeft, dat meestal betekent dat doel en middelen mee bepaald worden en dus de dienstverlener ook verantwoordelijke is voor de verwerking.

Specifiek met betrekking tot de advocatuur stelt de WP29 dat bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van een cliënt in de rechtbank, het bepalen van de strategie die daaraan vooraf gaat alsook het bepalen van de middelen die aangewend zullen worden om de strategie uit te voeren, maken dat de advocaat moet worden gezien als een verantwoordelijke. In zijn adviesfunctie dienen we de advocaat dus te beschouwen als een verantwoordelijke voor de verwerking.

Deze redenering is evenwel niet steeds van toepassing.

De WP29 stelt eveneens dat de advocaat in sommige situaties optreedt als een verwerker in opdracht van de cliënt. Men denke hierbij aan een onderzoek naar de kredietwaardigheid van een contractpartij, of ook, een uitvoerende opdracht in incasso. In deze gevallen is het immers de cliënt die over strategie, doel en middelen beslist.

Is een verwerkersovereenkomst aangewezen, verplicht?

Strikt genomen is dat in het kader van de genoemde afwegingen dus niet steeds absoluut nodig. Wel veronderstelt de vertrouwensrelatie tussen advocaat en cliënt de nodige schriftelijke garanties in verband met de beveiliging van persoonsgegevens. De verwerkersovereenkomst biedt hier dan uiteraard wel een uitkomst.

Deze gedachtegang kan overigens worden doorgetrokken naar andere dienstverlenende beroepen. De betrokkenheid bij de bepaling van doel en middelen is daarbij steeds de bepalende factor.

Een sociaal secretariaat bepaalt zelden of nooit het doel van de verwerking en is bijgevolg een verwerker, zo ook een leasingfirma, schoonmaakbedrijf , IT-leverancier of reisbureau.

Een accountant of fiscaal adviseur daarentegen hebben significante inspraak in de bepaling van de strategie van hun cliënt en zijn dus wel verantwoordelijke voor de verwerking.

Elke verantwoordelijke dient voorafgaand aan de verwerking van persoonsgegevens een schriftelijke garantie te voorzien met alle verwerkers. Dergelijke schriftelijke garantie is onontbeerlijk en het gebrek eraan kan leiden tot forse boetes. Een afzonderlijke verwerkersovereenkomst is dus niet nodig, indien de beveiliging van de verwerking in een bindend document werd vastgelegd, bijvoorbeeld algemene voorwaarden, gegevensbeschermingsbeleid of licentievoorwaarden.

Voor meer vragen kunt u terecht bij : rudi.vandevyvere@alisadvocaten.be

U wordt bestolen op reis, maar kan u dat bewijzen? Waarschijnlijk wel!

Zowat in alle rechtsdomeinen heeft minister Koen Geens zijn stempel gedrukt door het uitvaardigen van nieuwe wetboeken. Eén van zijn laatste wapenfeiten is de aanzet naar een nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna NBW), ter vervanging van het oud Burgerlijk Wetboek (hierna OBW) dat Napoleon ons achterliet in 1804. Meer dan 200 jaar later is dat OBW een incoherent samenraapsel geworden van wetten en artikels, zodat een vervanging op zijn plaats is.

In april al keurde de Kamer “boek 8” van dit NBW goed. Dit boek handelt over bewijs. Opmerkelijk is dat het onderdeel “bewijs” in het OBW als onderdeel van de verbintenis werd behandeld, terwijl het nu in het NBW een eigen boek krijgt toebedeeld. De spelregels van de bewijsvoering worden dan ook iets uitvoeriger uitgeschreven. Daarnaast zijn er ook een aantal ingrijpende wijzigen. Eén ervan zetten we hieronder uiteen:

Eén van de lastigste bewijzen om te leveren is een negatief feit: dat iets zich niet heeft voorgedaan. Waar vroeger enkel het bewijs kon geleverd worden met wat heet “een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid”, dus met een redelijke mate van zekerheid, zal in het NBW het bewijs kunnen geleverd worden met het aantonen van de waarschijnlijkheid van dat negatief feit. De redelijke mate van zekerheid is in dit geval niet meer nodig. Dit artikel is ingevoerd naar analogie met de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Wat wel nieuw is, is de uitbreiding naar positieve feiten: niet enkel voor negatieve feiten, maar ook voor positieve feiten waarvan het vanwege de aard zelf van het te bewijzen feit niet mogelijk of niet redelijk is om een zeker bewijs te verlangen, kan het bewijs door waarschijnlijkheid geleverd worden.

Zo aanvaardt de rechtspraak bij verzekering tegen diefstal dat het zekere bewijs van een diefstal onmogelijk te leveren is. Beeldt u maar in: op vakantie wordt uw fototas inclusief fototoestel gestolen. Gelukkig heeft u een verzekering. Maar hoe bewijst u de diefstal? Bent u de tas niet vergeten in een restaurant? Viel ze op dat pitoreske terras per ongeluk in het water? Er zijn mogelijkheden legio. Als u de diefstal aannemelijk en dus waarschijnlijk kan maken, kan u het bewijs van de diefstal leveren.

Hoe zeker moet de waarschijnlijkheid dan juist zijn? De memorie van toelichting van het bewuste boek voorziet in het volgende: als men dan toch moet spreken over een zekerheidspercentage, zou dat allicht 75 % zijn, wat wil zeggen dat er ernstige elementen in het dossier staan die de aanvoeringen ondersteunen en dat alternatieven, hoewel niet volledig onmogelijk, niet geloofwaardig lijken.

Het is wel nog even wachten op de inwerkingtreding ervan: het NBW treedt in werking op de eerste dag van de achttiende maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en dat is vandaag nog niet verricht.

Geniet aldus nog van uw verlof in de oude regeling en verlies uw fototas niet uit het oog.

Wim SMET
wim.smet@alisadvocaten.be

 

Huurovereenkomst voor locatievervoer in taxi is niet werkbaar.

In het taxidecreet van 2001 wordt een onderscheid gemaakt tussen taxidiensten enerzijds en diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder (in de sector “locatievervoer” genaamd) anderzijds.

Bij taxidiensten wordt het voertuig ter beschikking gesteld aan het publiek, zo mogelijk op een gekende taxistandplaats, waar eender wie de taxi kan instappen.

Bij locatievervoer, wordt het voertuig slechts ter beschikking gesteld aan een welbepaalde persoon of onderneming waarmee de dienstverlener voorafgaandelijk een (huur)overeenkomst heeft gesloten.

 

Aangezien beide diensten met een zelfde wagen kunnen verleend worden indien de exploitant beschikt over beide vergunningen, lijkt dit onderscheid eerder banaal, maar dat is het allerminst:

Wanneer het voertuig een taxidienst levert, is de exploitant verplicht zijn taxameter in te schakelen en zal de gebruiker van de taxidienst het tarief “op de meter” betalen.  Aangezien de taxameter gekoppeld is aan het taxilicht bovenaan het voertuig, is dus aan het schijnen van het licht te zien of de taxi geladen of leeg rijdt.

Bij locatievervoer is er daarentegen voorafgaandelijk een prijs bepaald in de tussen partijen gesloten (huur)overeenkomst. Wanneer evenwel hetzelfde voertuig ook taxidiensten levert, heeft deze ook een taxameter en dus ook een taxilicht. Deze taxameter mag bij locatievervoer evenwel niet aanstaan zodat het taxilicht een vertekend beeld geeft bij locatievervoer.

De aandachtige lezer begrijpt natuurlijk dat dit een risico inhoudt op fraude, en als het gaat over de bestrijding van fraude durft de overheid wel al eens verregaande maatregelen opleggen. Zo ook in dit geval, waar de Vlaamse overheid verplicht een model van overeenkomst heeft opgelegd en waar de verplichting geldt om een exemplaar van de overeenkomst op de maatschappelijke zetel te houden en een kopie in het voertuig zelf. De door de overheid opgemaakte modelovereenkomst is vrij ruim opgesteld en voorziet onder meer in de vermelding van het uur van de begin en eindprestaties.

Dit is natuurlijk problematisch wanneer dergelijke overeenkomst wordt afgesloten met een onderneming en de dienstverlener personen vervoert in opdracht van die onderneming. Concreet voorbeeld: een ziekenfonds sluit dergelijke kaderovereenkomst om haar leden te vervoeren van en naar het ziekenhuis. Dergelijke ritten gebeuren op afroep en het moment van de terugrit kan moeilijk op voorhand bepaald worden.

Hoewel dergelijke verplichting niet werkbaar is, moet ze wel worden uitgevoerd . Zo werd een cliënte van Alis Advocaten, exploitant van taxidiensten en diensten van verhuring van voertuigen met bestuurder, geconfronteerd met een controle. Zij werd voor de politierechtbank gebracht wegens de inbreuk dat geen huurovereenkomst naar het model van de Vlaamse overheid aanwezig was in het voertuig. Het Openbaar Ministerie vorderde zowel voor de chauffeur als voor de exploitant de minimumboete van 500 EUR (na opdeciemen te brengen op 4.000 EUR).

 

Alis Advocaten vorderde de vrijspraak en voerde aan dat het totaal onwerkbaar is om een geschreven overeenkomst in het voertuig te hebben. De betrokken onderneming sluit wél kaderovereenkomsten die allen genummerd zijn (maar deze overeenkomsten zijn gesloten met de onderneming en niet met de afzonderlijke passagier) én er wordt van elke rit een genummerd order opgesteld en een rittenblad ingevuld waarop bij elk vervoer (1) de naam van de passagier, (2) de in- en uitstapplaats, (3) het in- en uitstap-uur en (4) de kilometerstand op het eind van elke rit worden ingevuld.

De politierechtbank oordeelde in dezen terecht tot de vrijspraak. Ze volgde Alis Advocaten dat het opstellen van een huurovereenkomst niet werkbaar is omdat dergelijke diensten vaak last-minute oproepingen zijn met wisselende passagiers. De rechtbank oordeelde dat het doel van deze administratieve regelgeving fraudebestrijding is om zwartwerk tegen te gaan en dat uit het correct ingevulde rittenblad eveneens kan worden aangetoond hoeveel ritten er worden uitgevoerd en over welke afstand. Indien deze kaderovereenkomst samen met het order en het rittenblad gelezen worden, bevatten deze documenten alle vermeldingen zoals voorzien in de modelovereenkomst, zo oordeelde de politierechtbank te Antwerpen terecht.

 Wim SMET
wim.smet@alisadvocaten.be

10-JARIGE AANSPRAKELIJKHEID BIJ TURBOLIQUIDATIE. HOE VOORZICHTIG IS VOORZICHTIG GENOEG?

 Uit artikelen 1792 en 2270 Burgerlijk Wetboek volgt dat aannemers en architecten nog 10 jaar na oplevering verantwoordelijk blijven voor ernstige (zichtbare of onzichtbare) gebreken aan een gebouw of grote werken van onroerende aard die de stabiliteit in het gedrang brengen.

Deze aansprakelijkheid wordt klassiek de ‘tienjarige aansprakelijkheid’ genoemd en is van openbare orde zodat partijen er niet van kunnen afwijken.

Maar wat bij vereffening en meer bepaald de “turboliquidatie” van de aannemersvennootschap?

Bij een gewone ontbinding-vereffening blijft de vennootschap nog gedurende een periode van 5 jaar gehouden tot het passief, zodat het in deze periode nog steeds mogelijk is een aansprakelijkheidsvordering te stellen lastens de vereffenaar (artikel 2:143 §1, vierde en vijfde streepje WVV – oud artikel 198 §1, derde en vierde streepje W. Venn.).

Bij een ‘turboliquidatie’ of ‘eendagsvereffening’  wordt de vennootschap echter ontbonden én vereffend in 1 akte (aldus op 1 dag)  (artikel 2:80 WVV – oud artikel 184 §5 W.Venn). In dat geval is de bestuurder/zaakvoerder persoonlijk aansprakelijk die ten opzichte van derden als vereffenaar wordt beschouwd (artikel 2:79 WVV – oud artikel 185 W.Venn.).

In een dergelijke ‘turboliquidatie’  is de aansprakelijkheid beduidend zwaarder en dient nog meer voorzichtigheid aan de dag te worden gelegd. Maar hoe voorzichtig is voorzichtig genoeg?

Het Hof van Beroep te Gent oordeelde in haar arrest dd. 21.06.2019 dat van een vereffenaar niet mag worden verwacht dat hij, op straffe van aansprakelijkheid, rekening heeft gehouden met alle mogelijke schulden en dat hij alle personen waarvoor werken werden uitgevoerd en wiens waarborgperiode nog niet is verstreken, contacteert met de vraag of er zich gebreken hebben gemanifesteerd dan wel of er gebreken kunnen verwacht worden.

Met andere woorden komt er, volgens deze rechtspraak, aan de garantie- of waarborgtermijn (waaronder de tienjarige aansprakelijkheid) in zekere zin vroegtijdig een einde bij de afsluiting van de vereffening.

 

Heeft u vragen omtrent de 10-jarige aansprakelijkheid, het Nieuwe Wetboek Vennootschappen en verenigingen (WVV), de vereffening van uw vennootschap, de inhoud van uw aannemersovereenkomst of andere vragen? Neem dan contact op met ons kantoor zodat wij verheldering kunnen bieden en u zich kan focussen op uw prioriteiten.

 

Maxime Terneu

maxime.terneu@alisadvocaten.be

Uw werknemer begaat een (lichte) snelheidsovertreding met een bedrijfswagen? Deel altijd de identiteit van de bestuurder mee via aangetekende post!

Uw werknemer begaat met een bedrijfswagen een (lichte) snelheidsovertreding.   Er wordt een PV opgesteld, waarvan een kopie wordt toegezonden (per gewone post!) aan de eigenaar van het voertuig, zijnde uw bedrijf.   Hierbij wordt de eigenaar van het voertuig uitgenodigd om de minnelijke schikking te betalen of om de identiteit van de bestuurder mede te delen via een antwoordformulier.

Vaak wordt met de werknemer afgesproken dat hij de minnelijke schikking zelf rechtstreeks zal betalen, waardoor de werkgever de identiteit van de bestuurder niet meedeelt via het antwoordformulier.

Let op: indien de politie geen betaling ontvangt, noch de identiteitsgegevens van de bestuurder, dan wordt de eigenaar van het voertuig gedagvaard voor de Politierechtbank om reden dat die verzuimt de identiteit van de bestuurder mee te delen.  

U kan als werkgever dus geconfronteerd worden met een dagvaarding voor de Politierechtbank, terwijl u meende dat de minnelijke schikking door uw werknemer zou zijn betaald.   Op deze overtreding staan zeer hoge (zelfs disproportioneel hoge…) geldboetes tot wel 1.600 € per overtreding!

Wees dus zéér voorzichtig: zorg er altijd voor dat de identiteit van de bestuurder van de (minieme) snelheidsovertreding wordt medegedeeld via het antwoordformulier en verstuur dit per aangetekende post, zodat u kan bewijzen dat u aan deze verplichting heeft voldaan.

De Notre-Dame in Parijs … Wat als u als aannemer de brand zou hebben veroorzaakt bij onderhoudswerken? Kent u uw risico’s?

Het brandt wel meer hier en daar, maar de schade aan de Notre-Dame te Parijs is aanzienlijk en zou veroorzaakt zijn bij onderhoudswerken. Ons kantoor krijgt wel meer te maken met de afwikkeling van brandschade. De schadelijder spreekt dan zijn brandverzekeraar aan die tracht te verhalen op een eventuele aansprakelijke aannemer die op zijn beurt zijn onderaannemer(s) aanspreekt, tot men terecht komt bij de schadeveroorzaker. De vraag is dan of in die keten iedere (onder)aannemer de juiste verzekering heeft: niet zozeer een brandverzekering, maar de B.A.-uitbating dient hier ingeroepen te worden. Voor schade door brand, rook, ontploffing en waterschade (in verzekeringsjargon kortweg BROW genoemd) wordt de verzekerde schade vaak geplafonneerd wat uiteraard dramatisch is bij schades van dergelijke omvang.

Volgens Ian Voeten (lid van het directiecomité van Kegels & Van Antwerpen, verantwoordelijke schade, en  specialist bouwverzekeringen) varieert dergelijk plafond heel sterk afhankelijk van de ouderdom van de verzekeringsovereenkomst, van de verzekeraar en van het soort contract. Oudere contracten hadden voor BROW standaard een plafond van 125.000 EUR, huidige contracten kunnen een dekking geven gelijk aan de hoofdlimiet, maar veelal wordt door verzekeraars aangestuurd op een sublimiet (per schadegeval) die lager is dan de hoofdlimiet in BA uitbating of product- of dienstenaansprakelijkheid.

Verder is er nog het verschil tussen B.A. uitbating  (schade aan derden tijdens de werken, B.A. uitbating na levering (schade aan derden ontstaan nadat verzekerde het werk uitvoerde of de controle er niet meer over had) maar ook de dekking ‘toevertrouwd voorwerp’ in de BA uitbating die ook schade aan de goederen waaraan men werkt vergoedt (contractuele schade) en die steeds een veel lagere dekkingslimiet heeft dan de waarborgen BA uitbating en BROW! De afbakening van dit toevertrouwd voorwerp is sterk afhankelijk van de definitie die een verzekeraar hanteert. Zo zal voor een dakwerker die het lood op een dak vervangt voor de ene verzekeraar enkel de dakrand het toevertrouwd voorwerp uitmaken, en voor een andere verzekeraar de zijde van het dak waaraan men werkt, of zelfs het hele dak – in oudere contracten zou zelfs het volledige huis als toevertrouwd voorwerp bestempeld kunnen worden. 

Wij adviseren onze cliënten steeds om bij het afsluiten van zo’n verzekering goed na te gaan in welke mate u echt verzekerd bent. Bent u onderverzekerd voor het risico dat u bij het aannemen van een welbepaald werk loopt, dan kan u altijd opteren voor een tijdelijke waarborguitbreiding of permanente verhoging van uw verzekerde limiet. Bent u niet zeker of u vandaag goed verzekerd bent, dan neemt u best contact op met een verzekeringsmakelaar en/of een advocaat, beiden best met ervaring in de sector.

Ook als u als bouwheer werken laat uitvoeren, kan u best uw aannemer een attest van zijn verzekering B.A-onderneming laten voorleggen, met opgave van de sublimieten die erin van toepassing zijn.

Wim SMET

GDPR - UPDATE !

OP 1 APRIL 2019 IS DE LIJST VAN VERWERKINGSVERRICHTINGEN WAARVOOR VERPLICHT EEN GEB MOET WORDEN UITGEVOERD IN WERKING GETREDEN. OOK U ONTSNAPT HIER NIET AAN!

Een GEB (gegevensbeschermingseffectenbeoordeling) is een procedure om te evalueren of een verwerking van persoonsgegevens risico’s inhoudt voor de rechten en vrijheden van de persoon wiens data wordt verwerkt en hoe men deze risico’s kan beheersen.

Het uitgangspunt blijft: elke verwerking die een “waarschijnlijk hoog risico” inhoudt voor de rechten en vrijheden van de betrokkene. Daarnaast is de verwerkingsverantwoordelijke vanaf 1 april verplicht een GEB uit te voeren wanneer hij een van de 8 verwerkingen overweegt zoals opgenomen in de gepubliceerde lijst van verwerkingsactiviteiten. Het uitgelezen moment om uw verwerkingsregister te actualiseren!

Maxime Terneu